UPC_CoA_73/2026 – Esko v In(k)control
- Court
- Court of Appeal
- Date
- Outcome
- Denied
- Sector
- Other
- Decision Type
- PROCEDURAL
Expert Commentary
Language / Signing Facts 1. At first instance, Esko asked for a change of language of the proceedings from Dutch to English, but this was refused by the President of the Court of First Instance. 2. Esko appealed. 3. After the parties exchanged written pleadings and failed to settle the issue, In(k)control asked the Court to rule that the appeal was not admissible because the appeal request had not been signed with an advanced or qualified electronic signature. Alternatively, it asked the Court to dismiss the request. The Court 1. The Court holds that R. 4.1 RoP only requires written pleadings and other documents to be signed. There is no requirement for them to be signed with an advanced or qualified electronic signature, and this requirement also cannot be found in Regulation (EU) No 910/2014 either. 2. With regard to the change of language, the Court refers to the President’s discretionary authority and the case law of the Court of Appeal. 3. The Court of Appeal concludes that the President’s decision was justified, referring to the following reasons: a. The claimant is a small company, whereas the defendants belong to a large international group with substantial financial resources. b. Both parties are established in Flanders, where Dutch is the official language. 4. The Court of Appeal holds that none of the arguments of the appellants render the decision of the President unjustified. These were: a. the language of the patent is English; b. the Statement of claim and exhibits are largely in English; c. the correspondence before the litigation was in English; d. English is the language of the technology; e. English is the working language of both parties; and f. the requested measures also extend to countries outside the UPC, which would require communication with foreign lawyers. 5. The Court of Appeal dismisses the appeal. Comment 1. The advanced and qualified electronic signature are signatures which comply with EU legislation requirements (Regulation (EU) No 910/2014). The latter has the same legal effect as a handwritten signature. As the Court states, R. 4.1 RoP does not require it, and I cannot see why it would be necessary, given that documents can only be lodged via the Case Management System using a secure authentication process. However, the signature is useful because it is then clear which representative of a party is responsible for the content in case of several representatives of a party (and, in case such content requires disciplinary action, who should be disciplined!). 2. Every experienced representative would know that an appeal like this is not going to be successful. One could argue that the President’s decision is wrong, but that of course does not mean that an appeal is successful, taking into consideration that this is a discretionary decision. That would only be the case if no one can understand the decision! 3. Do I agree with the decision? No, I would probably have done things differently. Also, a small Flemish company that works internationally is certainly capable of dealing with English. However, that is not really relevant. What is relevant is that, if the politicians want the UPC to be more efficient, they should revise the UPCA (in 2030) and follow the example of the Nordic/Baltic countries by adopting English as the only language. The President of the Court of First Instance is French, and two of the appeal judges are non-Dutch speakers (I assume). This is not very efficient, and these are just a few examples!
Full Decision Text
1 BESCHIKKING van het Hof van Beroep van het Eengemaakt Octrooigerecht gedaan op 8 oktober 2026 met betrekking tot een verzoek tot wijziging van de procestaal (Art. 49 lid 5 UPCA) HEADNOTE In R. 4.1 RoP wordt in algemene zin bepaald dat de in te dienen stukken moeten worden ondertekend (“shall be signed” resp. “sind zu unterzeichnen” en “doivent être signés”) en dat deze in elektronische vorm moeten worden ingediend. Hierbij wordt niet als voorwaarde gesteld dat de handtekening een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening moet zijn. Een dergelijke eis volgt evenmin uit de overige bepalingen van de RoP, de UPCA of de rechtspraak van het Hof van Beroep. (Engels) R. 4.1 RoP generally provides that the documents to be filed must be signed (“shall be signed”, “sind zu unterzeichnen” and “doivent être signés”) and that these must be lodged in electronic form. This does not require that the signature be in the form of a qualified or advanced electronic signature. Nor does such a requirement follow from the other provisions of the RoP, the UPCA or the case law of the Court of Appeal. KEYWORDS ondertekening beroepschrift en gronden van beroep, gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening, wijziging procestaal, discretionaire bevoegdheid. APPELLANTEN (EN GEDAAGDEN IN HET HOOFDGEDING VOOR HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG) 1) ESKO-SOFTWARE BV, Raymonde de Larochelaan 13, 9051 Gent, België 2) ESKO-GRAPHICS BV, Raymonde de Larochelaan 13, 9051 Gent, België (hierna gezamenlijk: “Appellanten“) vertegenwoordigd door Margaux Dejonghe, advocaat, Crowell & Moring LLP, Brussel, België GEÏNTIMEERDE (EN EISERES IN HET HOOFDGEDING VOOR HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG) IN(K)CONTROL BV, E3 laan 43, 9800 Deinze, België (hierna: “Geïntimeerde“) vertegenwoordigd door Kristof Neefs, advocaat, Inteo, Mechelen, België OCTROOI IN GESCHIL Europees octrooi 3 841 735 Referentienummer UPC-CoA-73/2026 2 PROCESTAAL Nederlands PANEL EN BESLISSENDE RECHTERS Panel 3: Bart van den Broek, voorzitter en rechter-rapporteur Paolo Catallozzi, juridisch gekwalificeerde rechter Nathalie Sabotier, juridisch gekwalificeerde rechter BESTREDEN BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG Beschikking van de Voorzitter van het Gerecht van Eerste Aanleg van het Eengemaakt Octrooigerecht, Lokale Divisie Brussel, 27 april 2026 (UPC-CFI-0000871/2026) MONDELINGE BEHANDELING Op 29 september 2026 heeft met instemming van partijen de mondelinge behandeling plaatsgevonden via videoconferentie. HET PROCESVERLOOP 1. Op 10 maart 2026 heeft Geïntimeerde bij de Lokale Divisie Brussel (“LD Brussel”) een inbreukvordering ingesteld tegen Appellanten op basis van het octrooi in geschil (“octrooi”). De procestaal is Nederlands. 2. Op 16 april 2026 hebben Appellanten uit hoofde van R. 323 RoP een verzoek ingediend om de procestaal te wijzigen naar het Engels. Naar het oordeel van Appellanten bevestigen alle historische, feitelijke en procedurele elementen in deze zaak dat het Engels de natuurlijke taal is waarin deze procedure moet worden gevoerd. 3. Op 20 april 2026 heeft Geïntimeerde gereageerd op het verzoek van Appellanten. Geïntimeerde heeft zich tegen de wijziging van de procestaal verzet. 4. Op 23 april 2026 hebben Appellanten een additionele conclusie ingediend waarin zij hebben gereageerd op het verzet van Geïntimeerde. Hiertegen heeft Geïntimeerde bezwaar gemaakt. 5. Bij beschikking van 27 april 2026 (“bestreden beschikking“) heeft de Voorzitter van het Gerecht van Eerste Aanleg (“Voorzitter”) het verzoek tot taalwijziging afgewezen. Daarbij heeft de Voorzitter diverse belangen en omstandigheden in aanmerking genomen. Uiteindelijk gaven de vestigingsplaats van partijen in het Nederlandse taalgebied van België en de kleinere omvang van Geïntimeerde ten opzichte van Appellanten de doorslag om het Nederlands als procestaal te handhaven. De Voorzitter heeft de additionele conclusie van Appellanten d.d. 23 april 2026 geweigerd. 6. Op 11 mei 2026 hebben Appellanten een “Verzoekschrift tot Hoger Beroep” (“Verzoekschrift”) ingediend, waarmee zij hoger beroep hebben ingesteld tegen de bestreden beschikking. Op 22 mei 2026 heeft Geïntimeerde hierop geantwoord bij “Conclusie van Antwoord” (“Conclusie van Antwoord”). 7. Na overleg met partijen, heeft de rechter-rapporteur bij beschikking van 22 juni 2026 de vaststelling van de mondelinge behandeling uitgesteld vanwege schikkingsonderhandelingen tussen partijen. 3 8. Op 31 augustus 2026 hebben Appellanten aan het Hof laten weten dat partijen geen schikking hebben bereikt en hebben zij het Hof verzocht alsnog een datum vast te stellen voor de mondelinge behandeling. 9. Bij brief van 2 september 2026 heeft Geïntimeerde er (voor het eerst) op gewezen dat het door Appellanten ingediende Verzoekschrift niet is voorzien van een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening in de zin van Verordening (EU) Nr. 910/2014 (eIDAS) en heeft zij het Hof van Beroep verzocht te bepalen of het Verzoekschrift aldus is ingediend op de wijze als voorzien in R. 4.1 RoP. 10. Op uitnodiging van de rechter-rapporteur, hebben Appellanten op 10 september 2026 schriftelijk gereageerd op dit nieuwe argument van Geïntimeerde. DE VERZOEKEN VAN PARTIJEN 11. In het Verzoekschrift verzoeken Appellanten het Hof van Beroep: het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg: • de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bevelen dat de procestaal met onmiddellijke ingang wordt gewijzigd van het Nederlands naar het Engels; • Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het beroep en van de eerste aanleg. 12. In de Conclusie van Antwoord verzoekt Geïntimeerde het Hof van Beroep om het hoger beroep af te wijzen en Appellanten te veroordelen in de kosten van het hoger beroep als en voor zover een kostenveroordeling mogelijk is. 13. Naar aanleiding van het verzoek van Geïntimeerde met betrekking tot de vermeend gebrekkige ondertekening van het Verzoekschrift, verzoeken Appellanten het Hof van Beroep: • in hoofdorde, te oordelen dat het Verzoek van Geïntimeerde niet-ontvankelijk is; • in ondergeschikte orde, te oordelen dat het Verzoek ongegrond is; • in uiterst ondergeschikte orde, voor zover het Hof van Beroep zou oordelen dat een bijkomende elektronische handeling vereist is, te bepalen dat Appellanten hun verzoekschrift conform R. 320 RoP kunnen remediëren en uit te leggen hoe zij dat dienen te doen. SAMENVATTING VAN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN EN DE LD BRUSSEL 14. Appellanten voeren aan dat de Voorzitter ten onrechte het verzoek tot wijziging van de procestaal naar het Engels heeft afgewezen en de billijkheidstoets van Art. 49, lid 5, UPCA onjuist heeft toegepast. Appellanten beroepen zich daarbij op de navolgende zes omstandigheden: (1) het octrooi is in het Engels verleend en Engels was ook de taal van de verleningsprocedure bij het EOB. Het voeren van de onderhavige procedure in het Nederlands leidt mogelijk tot interpretatieproblemen en kan een goed begrip van de octrooiproblematiek verhinderen; (2) de Statement of Claim (“Memorie van Eis”) is voor een groot deel in het Engels gesteld en datzelfde geldt voor de daarbij ingediende producties; (3) de correspondentie tussen partijen voorafgaand aan de procedure was in het Engels; (4) Engels is de voertaal op het technologiegebied van het octrooi; (5) Engels is de werktaal van beide partijen; (6) de verzochte maatregelen voor de landen buiten het UPC-grondgebied versterken de noodzaak van het Engels als procestaal, in het bijzonder vanwege het Engelstalige overleg met de aldaar gevestigde advocaten en de noodzaak om hun Engelstalige opinies naar het Nederlands te vertalen wanneer het Nederlands als procestaal wordt gehandhaafd; 4 15. Volgens Appellanten wegen de twee door de Voorzitter genoemde factoren ter handhaving van het Nederlands als procestaal (de vestigingsplaats en de omvang van partijen) niet op tegen de door hen genoemde zes omstandigheden. 16. Geïntimeerde wijst erop dat de Voorzitter een discretionaire bevoegdheid heeft bij het bepalen of de procestaal moet worden gewijzigd op grond van Art. 49, lid 5, UPCA. Dat betekent dat de toetsingsruimte in hoger beroep beperkt is. Volgens Geïntimeerde heeft de Voorzitter haar discretionaire bevoegdheid juist uitgeoefend en is de bestreden beschikking in overeenstemming met Art. 49, lid 5, UPCA en de door dit Hof ontwikkelde rechtspraak. Geïntimeerde wijst in het bijzonder op de beslissing van het Hof van Beroep in de zaak Advanced Bionics v Med-EL (UPC-CoA- 207/2024, 5 september 2024). In die beslissing oordeelde dit Hof dat de Voorzitter terecht het Duits als procestaal had gehandhaafd in het licht van (i) de vestigingsplaats van eiseres en twee van de drie gedaagden in Duitse taalgebieden, (ii) de kleinere omvang van eiseres ten opzichte van gedaagden, en (iii) de procedurele complicaties die zouden optreden bij wijziging van de procestaal naar het Engels. Volgens Geïntimeerde zijn die overwegingen één-op- één van toepassing op de onderhavige zaak. 17. Met betrekking tot het vermeende gebrek in de ondertekening van het Verzoekschrift, wijst Geïntimeerde op twee recente uitspraken van dit Hof, te weten SharkNinja v SEB (UPC-CoA-61/2026, 22 mei 2026) en Windhager v bellissa (UPC-CoA-894/2025, 21 augustus 2026). Uit die uitspraken zou volgen dat een ingediend stuk dient te zijn voorzien van een elektronische handtekening om de authenticiteit van het stuk te waarborgen en het risico uit te sluiten dat het stuk niet werd opgesteld door een daartoe gemachtigd persoon. Geïntimeerde erkent dat het Verzoekschrift is voorzien van een elektronische handtekening van de raadslieden van Appellanten, maar stelt dat het hierbij niet gaat om een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening in de zin van Verordening (EU) Nr. 910/2014. Geïntimeerde verzoekt het Hof te bepalen of een dergelijke ondertekening toereikend is onder R. 4.1 RoP in het licht van genoemde uitspraken. Voor zover dat niet het geval is, gaat Geïntimeerde ervan uit dat sprake is van een verschoonbare fout van Appellanten, nu de uitspraken waarnaar Geïntimeerde verwijst, pas na de indiening van het Verzoekschrift zijn gewezen. 18. Appellanten antwoorden hierop dat Geïntimeerde zich niet op dit vermeende gebrek kan beroepen omdat zij dit argument eerder had kunnen en moeten aanvoeren. Het feit dat de twee genoemde uitspraken van dit Hof pas op resp. na indiening van de Conclusie van Antwoord zijn gewezen, doet daaraan niet af. Bovendien heeft Geïntimeerde geen concreet belang bij dit verzoek, aldus Appellanten, nu zij niet betwist dat de handtekeningen afkomstig zijn van de raadslieden van Appellanten. Daarnaast is de stellingname van Geïntimeerde inhoudelijk ongegrond nu R. 4.1 RoP slechts aangeeft dat de in te dienen stukken ondertekend moeten worden (“signed”) zonder verdere eisen te stellen aan de handtekening. 19. Naar analogie van R. 323.3 RoP, heeft het Hof van Beroep het panel van de LD Brussel geraadpleegd over het verzoek tot wijziging van de procestaal. In antwoord hierop, heeft het panel het Hof van Beroep laten weten neutraal te staan tegenover het gebruik van Nederlands of Engels als procestaal. GRONDEN VAN DE BESCHIKKING 20. Het Hof van Beroep is van oordeel dat Appellanten ontvankelijk zijn in het ingestelde hoger beroep, maar acht het hoger beroep ongegrond. Ontvankelijkheid van het hoger beroep 21. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van Appellanten dat Geïntimeerde te laat zou zijn met haar opmerkingen over de ondertekening van het Verzoekschrift en dat zij daarbij geen belang zou hebben. Het Hof toetst ambtshalve of aan de vereisten van R. 224 jo. R. 4.1 RoP is voldaan (vgl. UPC- 5 CoA-69/2026, 17 augustus 2026, NST v Qualcomm, par. 35; UPC-CoA-894/2025, 21 augustus 2026, Windhager v bellissa). 22. Op grond van R. 220.1(c) RoP staat hoger beroep open tegen beschikkingen als bedoeld in Art. 49, lid 5, UPCA. Het beroepschrift en de gronden van beroep dienen binnen 15 dagen na betekening van de beschikking te worden ingediend (R. 224.1(b) en R. 224.2(b) RoP). 23. Op grond van R. 4.1 RoP dienen het beroepschrift en de gronden van beroep te worden ondertekend en in elektronische vorm te worden ingediend bij de Griffie. Het vereiste dat schriftelijke stukken moeten worden ondertekend, is aan R. 4.1 toegevoegd in de 18e versie van het ontwerp van de RoP (d.d. 15 maart 2017). R. 4.1, eerste zin, RoP luidt thans als volgt in de Engelse versie van de RoP: “Written pleadings and other documents shall be signed and lodged at the Registry or relevant sub-registry in electronic form.” [onderstreping toegevoegd; CoA] 24. In het licht hiervan, heeft dit Hof geoordeeld dat het in procedures voor het UPC niet volstaat dat de vertegenwoordiger van de partij zich aanmeldt bij het Case Management System (CMS) via een beveiligd authenticatieproces en daarmee zijn identiteit bevestigt (UPC-CoA-61/2026, 22 mei 2026, SharkNinja v SEB, paras. 11-12 en Windhager v bellissa, par. 22). Het is daarnaast vereist dat de in te dienen schriftelijke stukken zelf worden ondertekend. 25. Ingevolge Art. 48 UPCA en R. 8.1 RoP dient ondertekening van een beroepschrift plaats te vinden door een vertegenwoordiger van de betreffende partij die geautoriseerd is om voor het UPC op te treden (vgl. R. 286 RoP; zie ook UPC-CoA-404/2023, 8 februari 2024, Ocado v Autostore, par. 2). Bij gebreke van een dergelijke ondertekening, voldoet het in het CMS ingediende beroepschrift niet aan de vereisten voor een geldige indiening. Een document dat als beroepschrift is ingediend en dat niet naar behoren is ondertekend, kan daarom niet worden beschouwd en aanvaard als een beroepschrift dat is ingediend overeenkomstig R. 224 RoP (Windhager v bellissa, par. 23). 26. In R. 4.1 RoP wordt in algemene zin bepaald dat de in te dienen stukken moeten worden ondertekend (“shall be signed” resp. “sind zu unterzeichnen” en “doivent être signés”) en dat deze in elektronische vorm moeten worden ingediend. Hierbij wordt niet als voorwaarde gesteld dat de handtekening een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening moet zijn. Een dergelijke eis volgt evenmin uit enige andere bepaling van de RoP, de UPCA, of voornoemde rechtspraak van dit Hof. In deze uitspraken heeft het Hof slechts bevestigd dat de in te dienen stukken zelf moeten worden ondertekend en dat indiening via het beveiligde authenticatieproces van het CMS dus niet volstaat. Ook Verordening (EU) Nr. 910/2014, waarop Geïntimeerde zich beroept, schrijft niet voor dat de bij het UPC in te dienen stukken moeten zijn voorzien van een bepaald type handtekening. Het stellen van dergelijke vormvoorschriften wordt uitdrukkelijk overgelaten aan de lidstaten (vgl. overwegingen 21 en 49 van de preambule en Art. 2, lid 3, Verordening (EU) Nr. 910/2014; vgl. ook HvJ EU, 20 oktober 2022, C-362/21, ECLI:EU:C:2022:815, Ekofrukt, paras. 36 en 39). 27. Het voorgaande neemt niet weg dat een gekwalificeerde elektronische handtekening rechtsgeldig kan worden gebruikt en dat hieraan bepaalde voordelen verbonden kunnen zijn, bijvoorbeeld in verband met de bewijskracht (vgl. Art. 25, lid 2, Verordening (EU) Nr. 910/2014 en HvJ EU, 29 februari 2024, C-466/22, ECLI:EU:C:2024:185, V.B. Trade OOD, par. 37). Een verplichting tot een dergelijk gebruik bij het indienen van stukken volgens R. 4.1 RoP bestaat evenwel niet. 28. In het onderhavige geval, is het Verzoekschrift namens Appellanten ondertekend door elk van haar vier raadslieden. Dat blijkt ondubbelzinnig uit de tekst op blz. 13 van het Verzoekschrift (“Voor Esko, Haar raadslieden“) gevolgd door de namen van de vier raadslieden en een scan van de handgeschreven (“wet“) handtekening van elk van hen. Uit de eerste bladzijde van het Verzoekschrift blijkt dat Appellanten inderdaad worden “bijgestaan en vertegenwoordigd“ door de vier raadslieden die het Verzoekschrift hebben ondertekend. Eén van die raadslieden, Mr. Margot Horowitz, is in het 6 CMS als UPC vertegenwoordiger van Appellanten in deze zaak vermeld. Geïntimeerde erkent dat het Verzoekschrift aldus is voorzien van een elektronische handtekening van de raadslieden van Appellanten. 29. Door ondertekening van het Verzoekschrift en de elektronische indiening hiervan, bevestigen de raadslieden namens Appellanten dat het door hen ondertekende en ingediende stuk van hen afkomstig is en dat dit moet worden aangemerkt als het beroepschrift en de gronden van beroep van Appellanten als bedoeld in R. 224 RoP. Dat is in lijn met R. 4.1 RoP en de overige bepalingen van de RoP en de UPCA. Het feit dat de vertegenwoordigers van Appellanten geen gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening hebben gebruikt, betekent niet dat geen rechtsgeldige ondertekening en indiening van het beroepschrift en de gronden van beroep hebben plaatsgevonden. Geïntimeerde heeft ook geen gronden aangevoerd waaruit volgt dat er twijfel zou bestaan over de identiteit van de ondertekenaars of over de vraag of het Verzoekschrift daadwerkelijk afkomstig is van de bevoegde vertegenwoordigers van Appellanten. Die twijfel heeft het Hof evenmin. 30. Het Hof van Beroep concludeert derhalve dat aan de vereisten van R. 4.1 RoP is voldaan en dat Appellanten ontvankelijk zijn in het door hen ingestelde hoger beroep. Inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep 31. Op verzoek van een van de partijen en na de andere partijen en het bevoegde panel te hebben gehoord, kan de Voorzitter van het Gerecht van Eerste Aanleg, om redenen van billijkheid en rekening houdend met alle relevante omstandigheden, waaronder het standpunt van de partijen en in het bijzonder dat van de gedaagde, besluiten de taal waarin het octrooi is verleend als procestaal te gebruiken (Art. 49, lid 5, UPCA en R. 323.3 RoP). 32. De Voorzitter heeft een discretionaire bevoegdheid bij het bepalen of de taal van het octrooi als procestaal wordt gebruikt. In hoger beroep is de toetsing daarom beperkt (vgl. bijvoorbeeld UPC- CoA-101/2024, 17 april 2024, Curio Biosciences v 10x Genomics, par. 19 en UPC-CoA-207/2024, 5 september 2024, Advanced Bionics v Med-El, paras. 9-10). Die toetsing heeft uitsluitend betrekking op mogelijke fouten bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid, d.w.z. het niet-uitoefenen, het misbruiken of het overschrijden van die bevoegdheid (UPC-CoA-889/2025, 18 februari 2026, Syntorr v Arthrex, par. 21). Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken. 33. In de beschikking van 17 april 2024 heeft het Hof van Beroep de beginselen uiteengezet voor de beslissing over een verzoek om de taal van het octrooi als procestaal te gebruiken (UPC-CoA- 101/2024, Curio Bioscience v 10x Genomics). Die beginselen zijn in latere beschikkingen van het Hof van Beroep uitgewerkt en toegepast (vgl. bijvoorbeeld de hiervoor genoemde beschikking in Advanced Bionics v Med-El; UPC-CoA-354/2024, 18 september 2024, Apple v Ona en UPC-CoA- 903/2025, 19 december 2025, UERAN Technology v Xiaomi). De Voorzitter heeft deze beginselen in de bestreden beschikking toegepast en haar discretionaire bevoegdheid daarbij niet geschonden. 34. Een eerste factor die de Voorzitter in aanmerking heeft genomen, is de vestigingsplaats van partijen. De Voorzitter heeft hieraan terecht en op juiste wijze betekenis toegekend (zie bijvoorbeeld Advanced Bionics v Med-El, par. 12 en Curio Bioscience v 10x Genomics, par. 37). In deze zaak zijn alle partijen gevestigd in het Vlaamse Gewest van België waar Nederlands de officiële taal is. In het licht hiervan heeft de Voorzitter het gebruik van het Nederlands als procestaal terecht in overeenstemming geacht met de gerechtvaardigde belangen van Geïntimeerde. Anderzijds heeft de Voorzitter terecht geoordeeld dat uit billijkheidsoverwegingen jegens Appellanten niet volgt dat de procestaal dient te worden gewijzigd naar het Engels, nu het Nederlands ook voor Appellanten de officiële taal is van hun vestigingsplaats. Het feit dat Appellanten onderdeel vormen van een Amerikaans concern maakt dat volgens de Voorzitter niet anders. Het hoofdkantoor van Appellanten 7 met betrekking tot de hier relevante activiteiten is, net als dat van Geïntimeerde en partijen zelf, gevestigd in het Nederlandse taalgebied van België (Gent). Ook dat maakt volgens de Voorzitter het gebruik van Nederlands als procestaal niet onbillijk jegens Appellanten. De Voorzitter heeft ook op dit punt haar discretionaire bevoegdheid niet overschreden. 35. Een tweede relevante factor die de Voorzitter in aanmerking heeft genomen, is de omvang van partijen ten opzichte van elkaar. Ook dat is juist (zie bijvoorbeeld Advanced Bionics v Med-El, par. 13, Curio Bioscience v 10x Genomics, paras. 24 en 38 en UERAN Technology v Xiaomi, par. 19). Zoals de Voorzitter terecht aangeeft in de bestreden beschikking (blz. 8), is het UPC-systeem erop gericht om ook kleinere en middelgrote ondernemingen in staat te stellen hun octrooien effectief te handhaven (vgl. de tweede overweging van de preambule van de UPCA). Dat komt onder meer tot uitdrukking in de toepasselijke financiële bepalingen (vgl. bijvoorbeeld R.370.8 RoP en UPC-CoA-48/2026, 1 juni 2026, La Siddhi v Athena, paras. 30 en 31). Uit voornoemde rechtspraak van dit Hof volgt dat hiermee eveneens rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de procestaal. 36. Het is onbetwist dat Geïntimeerde een kleine onderneming is. De Voorzitter heeft met juistheid gewezen op de verklaring die Geïntimeerde heeft ingediend onder R. 370.8(a) RoP, waarin zij op basis van diverse documenten heeft aangetoond dat zij voldoet aan de criteria voor een kleine onderneming in de zin van de Aanbeveling van de Europese Commissie nr. 2003/361 (Annex A3). Het is onbetwist dat Appellanten veel groter zijn in omvang en behoren tot een internationaal concern met substantiële financiële middelen, een eigen juridische afdeling en interne octrooigemachtigden. Volgens de Voorzitter beschikken Appellanten aldus over substantieel meer middelen om internationale geschillen in verschillende talen te behandelen en te coördineren. Ook uit deze omstandigheid volgt niet dat billijkheidsoverwegingen een wijziging van de procestaal eisen ten nadele van Geïntimeerde, aldus de Voorzitter. De Voorzitter is ook tot dit oordeel gekomen zonder schending van haar discretionaire bevoegdheid. 37. Naast voornoemde factoren, heeft de Voorzitter de door Appellanten aangevoerde omstandigheden in aanmerking genomen. Anders dan Appellanten stellen, geldt dat ook voor de omstandigheid dat partijen Engels als werktaal zouden gebruiken (bestreden beschikking, blz. 8, voorlaatste alinea) en dat zij voorafgaand aan de procedure in het Engels zouden hebben gecorrespondeerd (bestreden beschikking, blz. 7, voorlaatste alinea). De Voorzitter heeft geoordeeld dat deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend zijn om tot wijziging van de procestaal naar het Engels over te gaan. Dat oordeel getuigt evenmin van enige schending van de discretionaire bevoegdheid. 38. Uit het gebruik van Engels tijdens de verleningsprocedure bij het EOB en de verlening van het octrooi in het Engels volgt niet noodzakelijkerwijs dat ook de procedure bij het UPC in het Engels wordt gevoerd. Met de Voorzitter, ziet het Hof van Beroep niet in waarom dat in deze zaak tot problemen zou leiden bij de interpretatie van het octrooi of een goed begrip van de octrooiproblematiek zou verhinderen. Appellanten hebben dit gesteld, maar onderbouwen deze stelling niet. 39. De Voorzitter heeft terecht geoordeeld dat ook het feit dat een wezenlijk aantal overgelegde producties in het Engels is gesteld en dat daaruit in het Engels wordt geciteerd in de Memorie van Eis, geen wijziging van de procestaal naar het Engels eist. Van de in Vlaanderen gevestigde Appellanten mag worden verwacht dat zij hun positie dienaangaande (ook) in het Nederlands uiteen kunnen zetten. 40. Het feit dat de interne en externe communicatie in deze zaak veelal in het Engels plaatsvindt, zoals Appellanten stellen, maakt dat niet anders. Voor zover daarvan sprake is (Geïntimeerde betwist dat zij Engels als werktaal gebruikt en wijst op diverse communicaties tussen partijen die in het Nederlands zijn gesteld), noopt ook die omstandigheid niet tot wijziging van de procestaal naar het Engels. Beide partijen moeten in staat worden geacht om in het Nederlands te procederen, ook wanneer de voertaal op dit terrein Engels is. De Voorzitter heeft dat juist gezien. 8 41. Tenslotte hebben Appellanten erop gewezen dat Geïntimeerde ook maatregelen heeft gevraagd voor landen buiten het UPC-gebied. Volgens Appellanten vereist dit communicatie met buitenlandse advocaten in het Engels en ook hun opinies zouden in het Engels worden opgesteld. Procederen in het Nederlands zou een en ander bemoeilijken. Geïntimeerde maakt bezwaar tegen dit argument nu het in eerste aanleg pas is aangevoerd in de additionele conclusie die de Voorzitter heeft geweigerd. Voor (her)introductie hiervan in dit hoger beroep is geen plaats, aldus Geïntimeerde. 42. Het Hof van Beroep laat in het midden of dit bezwaar gegrond is, nu ook dit argument niet kan leiden tot wijziging van de procestaal. Het is op dit moment onduidelijk op welke wijze Appellanten zich zullen verweren tegen de stellingen van Geïntimeerde met betrekking tot de landen buiten het UPC- gebied. Ook wanneer hiervoor de assistentie van buitenlandse advocaten wordt ingeroepen en hiervoor communicatie in het Engels en/of vertaling van stukken uit of naar het Nederlands nodig zou zijn, rechtvaardigt dat niet – alleen of in combinatie met de andere aangevoerde omstandigheden – dat de UPC-procedure in z’n geheel in het Engels wordt gevoerd. Als onderdeel van een internationaal opererend concern moeten Appellanten in staat worden geacht zich ook op dit punt afdoende te kunnen verweren. Door de inbreukvorderingen te centraliseren in een enkele, Nederlandstalige procedure, kan dat verweer bovendien voor alle landen worden gevoerd in de eigen taal van de domicilie van Appellanten. Dat is niet onbillijk. Conclusie 43. In het licht van het voorgaande wordt het hoger beroep afgewezen. In overeenstemming met de beschikking in Curio Bioscience v 10x Genomics (par. 49), is voor een kostenveroordeling geen plaats nu de onderhavige beschikking de procedure niet beëindigt. BESCHIKT Het hoger beroep wordt afgewezen. Bart van den Broek, voorzitter en rechter-rapporteur Paolo Catallozzi, juridisch gekwalificeerde rechter Nathalie Sabotier, juridisch gekwalificeerde rechter
Key Holdings
- Rule 4.1 RoP only requires written pleadings and other documents to be signed; it does not require an advanced or qualified electronic signature under Regulation (EU) No 910/2014.
- A decision of the President of the Court of First Instance regarding a change of language of proceedings is a discretionary decision.
- The President's refusal to change the language of the proceedings from Dutch to English was justified where the claimant is a small company, the defendants belong to a large international group, and both parties are established in Flanders where Dutch is the official language.
- Arguments that the patent, exhibits, and pre-litigation correspondence are in English do not render the President's discretionary refusal to change the language unjustified.
Tags
- Language / Signing
- Language of proceedings
- Electronic signature
- Discretion