UPC_CFI_131/2025_July25 – OrthoApnea and Vivisol v Jef Nelissen
- Court
- Local Division Brussels
- Date
- Outcome
- Granted
- Sector
- Other
- Decision Type
- PROCEDURAL
Expert Commentary
Costs Facts Nelissen lost in first instance infringement proceedings and had to pay costs. Nelissen appealed and the cost proceedings were stayed. Nelissen withdrew its appeal. The cost proceedings (with respect to the first instance) were continued. The total costs according to the claimant were € 480,751.37. The cost ceiling for recoverable costs in this case is €38,000. The claimant requests an increase of the ceiling by 50% because of the complexity and the use of several languages and a further increase for costs other than the costs of representatives by € 35,814. Defendant states that they should pay nothing. The JR 1. Costs are facts that must be proven if disputed. 2. Refuses the increase of the ceiling because the request of the claimant is late. 3. Costs incurred for requests which have been refused cannot be claimed. 4. Claimant has to prove that the costs for the representatives have been incurred and borne by the claimant. 5. Travel costs for representatives cannot be claimed separately from the ceiling. 6. The UPCA and the Rules of Procedure do not provide for interest costs. Decision € 41,656.64 has to be paid by the defendant. Comment 1. In the Brussels Division, you can proceed in four languages: English and the three official languages of Belgium. 2. For a case with a value less than one million Euros, the claimant spent about € 450,000 in costs for his lawyers! We also see in this case the need for cost ceilings. It would not have been reasonable to have Mr. Nelissen paying the full amount of costs incurred by the claimant. 3. Lessons for representatives: If you want an increase of the cost ceiling, submit a request as soon as possible. Make sure you can prove that indeed the claimant has paid the amount. Travel and lodging are included in the cost ceiling. Realize that the making of samples, carrying out experiments, etc., which you do not use, will not be reimbursed.
Full Decision Text
1 Brussel - Lokale Afdeling ORD_33711/2025 ACT_7974/2025 ACT_581538/2025 UPC_CFI_131/2025 UPC_CFI_131/2025 Beslissing Overeenkomstig R.156 RoP Van het Gerecht van Eerste Aanleg van het Eengemaakt Octrooigerecht (UPC) Lokale Afdeling Brussel Gewezen op 25 juli 2025 Headnotes 1. Een verhoging of verlaging van het plafond weergegeven in de administratieve beslissing van 24 april 2023 “on the scale of recoverable costs ceilings” dient zo vroeg mogelijk in de procedure te worden verzocht in toepassing van Art. 2 (4) en (5) van vermelde administratieve beslissing. Een verzoek hiertoe gedaan tijdens de kostenprocedure dient (in principe) als laattijdig te worden beschouwd. Dergelijke laattijdigheid is mogelijk niet van toepassing voor verweerder indien deze pas in de loop van de kostenprocedure op de hoogte worden gebracht van de werkelijke representatiekosten die worden gevorderd door de eiser. 2. De gevorderde kosten worden beschouwd als “feiten”. Indien deze worden betwist, komt het (in toepassing van artikel 54 UPCA en R. 172.1. RoP) aan de eiser toe om de bewijsmiddelen aan te dragen ter ondersteuning van het aangedragen “feit”. 3. Het Gerecht ziet noch een reden noch een wettelijke grondslag waarom de bewijslast en de bewijsrechtelijke standaard in hoofde van eiser in het kader van een kostenprocedure anders respectievelijk lager zou zijn dan deze van toepassing op andere “feiten” aangedragen in de loop van een UPC-procedure. De verwijzing naar eventuele nationale praktijken van het land van de “representatives” (bv. in het licht van de bewijsstandaard van de representatiekosten) doorkruist het UPC principe omtrent bewijslast en bewijsrechtelijke standaard als weergegeven in artikel 54 UPCA (en R. 172.1. RoP) niet. 4. indien de “feiten” (“kosten”) worden betwist door de verweerder en indien eiser beschikt over bewijzen die de aangedragen “feiten” (“kosten”) ondersteunen, is deze gehouden dergelijke bewijzen aan te dragen. Anders dan R 156.1 RoP doet uitschijnen, dienen dergelijke bewijzen niet enkel te worden voorgelegd indien het Gerecht hierom verzoekt. R. 156.1. RoP stelt enkel dat de Rechter-Verslaggever de bevoegdheid (“may”) heeft om zich schriftelijke bewijs te doen overhandigen en ontlast eiser niet van zijn bewijslast als weergegeven in artikel 54 UPCA en R. 172.1. RoP. 5. In toepassing van de in de preambule van de administratieve beslissing van 24 april 2023 “on the scale of recoverable costs ceilings” voorziene appreciatievrijheid van het Gerecht (“a large margin of appreciation for the Court”) en billijkheidsoverwegingen (“equity”), vermag het het Gerecht om het plafond (als veiligheidsnet) toe te passen m.b.t. de terugvorderbare representatiekosten indien de omstandigheden van de zaak dit verantwoorden. 6. De vertaalkosten (inhoudende vertalingen die werden gemaakt in het licht van het verweer en de communicatie tussen cliënten en hun juridische vertegenwoordigers (“representatives”) (of vertalingen omtrent beslissing genomen in de procedure-taal) alsmede de reis-en verblijfkosten van de juridische vertegenwoordigers (”representatives”) ressorteren onder de representatiekosten. R. 152.1. RoP dient in deze zin ruim geïnterpreteerd te worden. Keywords: • Kostenprocedure • Representatiekosten • Bewijslast en bewijsrechtelijke standaard • Plafond voor terugvorderbare representatiekosten 2 EISER(S): (1) OrthoApnea S.L., vennootschap naar Spaans recht, met maatschappelijke zetel te Flauta Mágica 22, 29006 Malaga, Spanje, (2) VIVISOL B BV, vennootschap naar Belgisch recht met maatschappelijke zetel te Zoning Ouest 14, 7860 Lessines, België, en ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen met ondernemingsnummer 0454.915.053; Vertegenwoordigd door: Mter. van den Horst en Mter. Niemeijer, advocaten te Prinses Beatrixlaan 582, 2595 BM Den Haag (Nederland) VERWEERDER(S): De heer wonende te België; Vertegenwoordigd door: Mter. C. Ronse en Mter. K. Claeyé, advocaten te Havenlaan 86C, B414, 1000 Brussel (België), en Mter. M.W. Rijsdijk en Mter D.E. Colenbrander, advocaten te Amstelplein 1 (Rembrandt Toren, 28ste verdieping), 1096 HA Amsterdam (Nederland); OCTROOI(EN) WAAROP HET GESCHIL BETREKKING HEEFT Octrooi nr. Octrooihouder(s) EP 2 331 036 PANEL/AFDELING: Onderhavig Afdeling (Brussel) met het panel bestaande uit: Rechter-Verslaggever Samuel Granata Juridisch Gekwalificeerde Rechter Margot Kokke Juridisch Gekwalificeerde Rechter András Kupecz BESLISSENDE RECHTER: Onderhavig procedurele beslissing (order) werd uitgevaardigd door de Rechter-Verslaggever. 3 I. PROCEDURELE ACHTERGROND EN ARGUMENTATIE PARTIJEN 1. Op 17 februari 2025 hebben Eisers een verzoek tot betaling van kosten (R. 151 RoP) opgeladen in het CMS (ACT_7974/2025). Dit verzoek strekte ertoe Verweerder te horen veroordelen tot betaling van de kosten van het geding (specifiek deze die betrekking hebben op ACT_581538/2023 - UPC_CFI_376/2023) begroot op € 92.814,62, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf 7 dagen na betekening van de beslissing. 2. In essentie motiveerden Eisers hun vordering als volgt: • Het plafond weergegeven in de beslissing “on the scale of recoverable costs ceilings adopted by the Administrative Committee on 24 April 2023” (hierna “Ceilings Decision”) betreft € 38.000. Het plafond van € 38.000 “staat in schril contrast met en in geen verhouding tot het bedrag van de daadwerkelijke kosten”. • De kosten van representatie (advocaten en kantoorgemachtigden) bedragen € 451.236,75. • De totale kosten (inclusief kosten van experts, uitvoeren van testen, vertaalkosten, kosten van tolken ter zitting en overige (reis- en verblijf-) kosten bedragen €480.751,37. • Het plafond dient op grond van artikel 2.1. Ceilings Decision verhoogd met 50% bij zaken van een waarde tot € 1 miljoen en dit aangezien er sprake van een complexe zaak en meertaligheid, hetgeen het plafond brengt tot € 57.000. • Het plafond dient vervolgens verhoogd te worden met € 35.814 bestaande uit volgende kosten (aangegeven dient reeds te worden dat een correcte optelsom van onderstaande bedragen resulteert in een bedrag van € 36.089,77): Kosten Voorwerp Bedrag Bewijsstuk Kosten experten (R. 153 RoP) Bijstand dr. E VALQUEZ Diverse gesprekken met advocaten, röntgenfoto’s van patiënt en zitting (online) 6 december 2004 € 2.200 EP02a In-vivo experiment Kosten van de expert en patiënt en notariskosten € 6.674,06 EP02b 8 anatomische modelschedels € 1.594,05 EP02c Expert-opinie na beslag inzake namaak € 5.000 EP02d Vertaalkosten en tolken (R. 155 RoP Cii (simultaankosten) € 2.800 EP03 ORTHOAPNEA (EP&C) € 7.483,16 EP03 La Gro € 7.630,92 EP03 Reis- en verblijfkosten (R. 150 RoP) La Gro (Den Haag – Brussel) ORTHOAPNEA (Malaga – Brusse) € 925 € 1.782,58 EP04 EP04 3. Bij (voorlopige) procedurele beschikkingen van 25 februari 2025 (I) en 13 maart 2025 (II) verzocht de Rechter-Verslaggever partijen beurtelings om verder standpunt in te nemen. 4. Verweerder argumenteerde in essentie als volgt: • In hoofdorde verzoekt Verweerder de vorderingen tot betaling van de kosten integraal af te wijzen en dit “gelet op de billijkheid, het gebrek aan bewijzen en het onredelijk en onevenredige karakter”. • Ondergeschikt wordt als volgt gesteld door Verweerder: o Het plafond werd bepaald in de Beslissing van 17 januari 2025 en dit op € 38.000. o Het plafond bepaalt de bovengrens. Het verzoek tot verhoging is van het plafond is niet alleen ongerechtvaardigd maar eveneens laattijdig. o De werkelijke representatiekosten zijn niet bewezen. 4 o De gevorderde representatiekosten zijn niet redelijk en niet evenredig. o De tussenprocedures (i.e. taalwijziging en equivalentie-argumentatie) werden beslist in het voordeel van Verweerder en kunnen niet worden meegenomen. Evenmin kunnen de kosten m.b.t. het bewijsbeslag in aanmerking worden genomen. o De overige kosten zijn onbewezen en worden betwist met uitzondering van (i) de kosten van Eisers om aanwezig te zijn op de pleitdatum en (ii) de kosten van de heer VASQUEZ (partij-deskundige van Eisers). 5. Eisers bleven in hun antwoordronde op hetzelfde standpunt als weergegeven in hun verzoek en legden, ondanks het betwist karakter van de meeste kosten door Verweerder (zie infra), geen bijkomende stukken neer. 6. Alvorens over te gaan tot eindbeoordeling verzocht de Rechter-Verslaggever partijen bij (voorlopige) procedurele beschikking van 4 april 2025 (III) standpunt mee te delen omtrent de gevolgen van het intussen (op 17 maart 2025) ingestelde hoger beroep door Verweerder (tegen de beslissing van de LD Brussel UPC van 17 januari 2024 in ACT_581538/2023 UPC_CFI_376/2023) voor onderhavige kostenprocedure (ACT_7974/2025). Partijen namen standpunt in. 7. Op 2 mei 2025 werd een voorlopige procedurele beschikking (IV) uitgevaardigd waarbij de kostenprocedure werd geschorst “totdat het hof van beroep UPC een uitspraak ten gronde heeft gedaan dan wel het geschil op een andere wijze wordt beëindigd en concreet totdat de Rechter-Verslaggever hiervan op de hoogte wordt gebracht”. 8. Bij schrijven van 10 juli 2025 werd de Rechter-Verslaggever op de hoogte gebracht door Eisers dat het hof van beroep UPC op 2 juli 2025 de volgende beslissing (App_23563/2025 - APL_13061/2025 - UPC_CoA_232/2025) nam: I. staat de intrekking van het beroep toe; II. verklaart dat de beroepsprocedure is beëindigd; III. bepaalt dat deze beslissing moet worden ingeschreven in het Register; IV. bepaalt dat appellant de redelijke en evenredige kosten die OrthoApnea heeft gemaakt in verband met de beroepsprocedure moet dragen; V. verklaart het verzoek van OrthoApnea tot vaststelling van de hoogte van de kostenvergoeding niet-ontvankelijk; VI. verklaart het verzoek van appellant tot hervatting van de bij de Lokale afdeling Brussel aanhangige kostenprocedure niet-ontvankelijk. 9. Op 22 juli 2025 bevestigde Verweerder het bovenstaande bericht in het CMS en verzocht het Gerecht de kostenprocedure te hervatten als volgt: (2) In overeenstemming met de Voorlopige Procedurele Beslissing IV van 2 mei 2025 verzoekt de heer de hervatting van de onderhavige kostenprocedure in eerste aanleg voor de Lokale afdeling Brussel. (3) De door Verweerder ingenomen standpunten in de onderhavige kostenprocedure1 , alsook in de beëindigde beroepsprocedure wat betreft de kosten (voetnoot 2) , worden hierbij uitdrukkelijk hernomen en integraal gehandhaafd. In voetnoot 2 werd als volgt weergegeven: Met name de Repliek inzake de kosten in Beroep overeenkomstig R.265 RoP van 16 juni 2025 waarin de heer het Hof van Beroep verzoekt dat hij niet wordt veroordeeld tot vergoeding van de betrokken kosten die uitsluitend betrekking hebben op interne gesprekken 5 van Geïntimeerden, en om deze vordering integraal af te wijzen, dan wel deze aanzienlijk te matigen in het licht van de omstandigheden en de stand van de procedure ten tijde van de intrekking van het beroep 10. Gezien bovenstaande beslissing van het hof van beroep UPC dienen Eisers te worden beschouwd als de “successful party”. 11. Aan de voorwaarden tot opheffing van de schorsing van de kostenprocedure is voldaan en deze kan dan ook worden hervat. II. BEOORDELING II.A. INLEIDENDE OMKADERING VAN DE VERZOEKEN EN VERWEREN VAN DE RESPECTIEVELIJKE PARTIJEN II.A.1. SAISINE VAN HET GERECHT IN HET LICHT VAN DE PROCEDURE 12. Het Gerecht is in het kader van ACT_7974/2025 enkel gevat voor de kosten m.b.t. de procedure in eerste aanleg (aanleiding gevend tot de beslissing in de workflow ACT_581538/2023 - UPC_CFI_376/2023). Eisers hebben deze kosten-procedure niet uitgebreid (waarbij het Gerecht zich niet uitspreekt omtrent de mogelijkheid hiertoe) tot de kosten van de procedure in hoger beroep (aanleiding gevend tot de beslissing door het hof van beroep (App_23563/2025 - APL_13061/2025 - UPC_CoA_232/2025). Enig verweer/stellingname omtrent de kosten in hoger beroep (als weergegeven in (3) van het schrijven van Verweerder van 22 juli 2025) heeft geen voorwerp. II.A.2. BESLISSING TEN GRONDE VAN 17 JANUARI 2025 (OMTRENT WAARDE VAN DE ZAAK EN PLAFOND) 13. Het Gerecht oordeelde als volgt in het beschikkend gedeelte van de beslissing van 17 januari 2025 (waarbij dient opgemerkt dat “Verweerders” in onderhavige procedure Eisers zijn en “Eiser” in onderhavige procedure Verweerder is): “(i) Veroordeling tot betaling van de procedure en aanverwante procedures 105. Gezien Eiser wordt in het ongelijk gesteld, dient hij te worden veroordeeld tot betaling van de kosten van onderhavige procedure (in toepassing van Art. 69(2) juncto R. 118 (5)). 106. In toepassing van R. 152 (2) wordt reeds geoordeeld dat de (terugbetaling van de) representatie-kosten, in het licht van de waardering van de zaak op € 250.000, dient bepaald te worden op een plafond van € 38.000 (en dit op zich in toepassing van de “Schedule of Costs adopted by the Administrative Committee on 24 April 2023”). 107. Gezien geen elementen worden aangereikt die het mogelijk maken voor het Gerecht om te beoordelen of dit plafond werd bereikt en partijen uitdrukkelijk verklaren ter zitting om de kosten en schade te beoordelen in een vervolgprocedure (R. 125), beperkt het Gerecht zich tot een principiële beslissing omtrent de terugbetaling van de representatiekosten. 108. Verweerders vorderen tevens de betaling van de kosten voor “aanverwante procedures”. Het is voor het Gerecht niet duidelijk op welke procedures wordt gedoeld en dit temeer aangezien Verweerders een afzonderlijke schadevordering instellen ingevolge van de beslaglegging in het kader van het bewijsbeslag (zie randnummer 109).” 6 14. Uit het bovenstaande blijkt dat het Gerecht het plafond van de representatiekosten bepaalde op € 38.000 doch eveneens dat het onmogelijk was in de stand van de procedure op dat moment om te beoordelen of dit plafond “werd bereikt”. 15. Tegen deze beslissing werd geen hoger beroep aangetekend en de beoordeling hieromtrent heeft dan ook kracht van gewijsde gekregen. II.A.3. PRINCIPES AANGAANDE VERHOGING DAN WEL VERLAGING VAN HET PLAFOND 16. R. 150.1. RoP, als juridische basis ter recuperatie van de kosten, geeft aan welke elementen dienen meegenomen te worden in de kostenbeslissing. Welke partij deze kosten dient te dragen, dient ingevuld te worden conform artikel 69.2. UPCA. 17. De kosten weergegeven in R. 150.1. RoP omvatten de “kosten opgelopen in het kader van de procedure” zoals (niet limitatief) de kosten voor “simultaanvertaling en kosten gemaakt overeenkomstig de artikelen 173 (i.e. kosten verbonden met “justitiële samenwerking in het kader van het verkrijgen van bewijs”), 180.1 (kosten verbonden met de eigen experten), 185.7 (kosten verbonden met het deskundige-rapport en aanwezigheid van de deskundige m.b.t. een door het Gerecht aangestelde deskundige), 188 (kosten verbonden met het horen van een deskundige door het Gerecht aangesteld) en 201 (kosten verbonden m.b.t. experimenten bevolen door het Gerecht) en, met inachtneming van de artikelen 152 tot en met 156, de kosten van de in het gelijk gestelde partij, met inbegrip van de door die partij betaalde gerechtskosten [artikel 151, onder d)]”. Het laatste onderdeel van vermelde regel verwijst naar de representatiekosten (R. 152 RoP), de kosten van experten (R. 153 RoP), de kosten van getuigen (R. 154 RoP) en de kosten voor vertalers en tolken (R. 155). 18. In toepassing van R. 152.2. RoP (representatiekosten) werd door het Administratief Comité op 24 april 2023 de Ceilings Decision uitgevaardigd. Naast temporele bepalingen omtrent het tijdstip waarop aanpassingen van het plafond kunnen worden verzocht, geeft de preambule van de Ceilings Decision aan dat het Gerecht gebruik dient te maken van volgende “veiligheidsmaatregelen” (“safeguards”), naast het plafond, bij het toepassen van de algemene regel als weergegeven in Art. 69.2. UPCA, waarbij uitdrukkelijk wordt aangegeven dat het Gerecht hieromtrent over een hoge mate van appreciatievrijheid beschikt: • De representatiekosten (en andere kosten) dienen redelijk en proportioneel te zijn opdat de “successful party” deze kan vorderen. • Om de algemene regel toepasbaar te maken, dient gebruik te worden gemaakt van het op zich staand juridisch principe van de “billijkheid” (“equity”). • In geval van gedeeltelijk winnen van de zaak (“success”) of in uitzonderlijke gevallen kan het Gerecht partijen veroordelen om hun eigen kosten (of een gedeelte ervan) te dragen. • Onnodige kosten voor het Gerecht dan wel een partij dienen gedragen te worden door de partij die deze veroorzaakte, hetgeen kan inhouden dat een “successful party” kan worden veroordeeld tot (terug)betaling van deze kosten. Tenslotte geeft deze preambule (1) aan dat het plafond dient beschouwd te worden als een veiligheidsnet hetgeen wordt begrepen als het relatief plafond voor representatiekosten (zie 7 infra omtrent verzoeken tot verhoging dan wel verlaging ervan). Dit blijkt ten andere uit de bewoordingen van het plafond waar melding wordt gemaakt van “up to (…)”, hetgeen vertaald kan worden als in de procedure-taal als “oplopende tot (…)”. 19. In preambule (2) wordt vervolgens aangegeven welke elementen kunnen in rekening worden genomen om het plafond te verhogen waarbij wordt gewezen op de complexiteit van de zaak en de meertaligheid van de procedure. Bij het verzoeken van dergelijke verhoging tot bepaalde mate (“to a certain extent”) dient de verzoekende partij (in casu Eisers) rekening te houden met de financiële mogelijkheden van alle partijen alsmede met het principe van het recht op toegang tot het Gerecht. 20. In preambule (3) wordt aangegeven in welke gevallen het Gerecht kan overgaan tot het verlagen van het plafond waarbij elementen worden aangereikt die in rekening dienen te worden gebracht door het Gerecht en in het bijzonder het (economisch) voortbestaan van de verzoekende partij (die om een verlaging verzoekt – in casu Verweerder) indien het plafond wordt toegepast. Hierbij dient het Gerecht rekening te houden met alle beschikbare informatie waarbij (niet-limitatief) wordt gewezen op: het procedureel gedrag van een partij, het plafond in vergelijking met de jaarlijkse omzet van beide partijen, het type van economische activiteit van beide partijen en het gevolg dat een verlaging van het plafond zou hebben op de andere partij (i.e. “successful party”) 21. Bovenstaande principes worden vervolgens concreet ingevuld in de artikelen van de Ceilings Decision. II.A.4. BEWIJSRECHTELIJKE STANDAARD M.B.T. DE KOSTEN DIE KUNNEN WORDEN TERUGGEVORDERD NAAST DE REPRESENTATIEKOSTEN EN OMTRENT HET (TE VERHOGEN DAN WEL VERLAGEN VAN HET) PLAFOND 22. De (gevorderde betaling van de) kosten worden door Eisers aangedragen als “feiten”. Deze worden door Verweerder (met uitzondering van de reis- en verblijfkosten van de (niet- juridische) vertegenwoordigers van Eisers alsmede de kosten van deskundige E. VALQUEZ) betwist. Gezien deze worden betwist, komt het in toepassing van artikel 54 UPCA en R. 172.1. RoP toe aan Eisers om de bewijsmiddelen aan te dragen ter ondersteuning van het door hen aangedragen “feit”. 23. Het spreekt voor zich indien Eisers zélf beschikken over dergelijke bewijzen zij gehouden zijn deze aan te reiken aan Gerecht. Anders dan R 156.1 RoP doet uitschijnen dienen dergelijke bewijzen niet enkel te worden aangereikt indien het Gerecht hierom verzoekt. R. 156.1. RoP stelt enkel dat de Rechter-Verslaggever de bevoegdheid (“may”) heeft om zich schriftelijke bewijs te doen overhandigen (cf. Tilmann W. and Plassmann (ed)., “Unified Patent Protection in Europe”, Oxford University Press, 2018, p. 1823). Eisers werden echter voldoende op de hoogte gebracht in de “Repliek op Verzoek tot betaling van kosten” (van 10 maart 2025) van Verweerder dat de “feiten” (met uitzondering van het bovenstaande) worden betwist zodat Eisers in toepassing van R. 172.1. RoP de gepaste bewijzen dienen bij te brengen om de aangereikte “feiten” voldoende te bewijzen. Deze regel betreft een toepassing van het algemeen principe omtrent de bewijslast als weergegeven in artikel 54 UPCA. 8 24. Het Gerecht ziet noch een reden noch een wettelijke grondslag waarom de bewijslast en bewijsrechtelijke standaard in hoofde van Eisers in het kader van een kostenprocedure anders dan wel lager zou zijn dan deze van toepassing op andere “feiten” die worden aangedragen in een UPC- procedure. Aangezien, zoals Eisers stellen er “geen specifieke voorwaarden worden gesteld aan het bewijs dat dient geleverd te worden ten aanzien van de specifiek gemaakte kosten”, dient geen lagere bewijsrechtelijke standaard te worden gehanteerd doch wel de algemeen bewijsrechtelijke standaard. Evenmin doorkruist de verwijzing naar eventuele nationale praktijken van het land van de “representatives” (bv. in het licht van de bewijsstandaard van de representatiekosten) het algemeen principe van artikel 54 UPCA en R. 172.1. RoP. 25. Deze bewijsprincipes, en meer in het bijzonder de bewijslast in hoofde van Eisers (m.b.t. de hoogte van hun vordering en/of de verhoging van het plafond), gelden uiteraard evenzeer in hoofde van Verweerder waar deze om een verlaging van het plafond zou verzoeken. Hier ligt de bewijslast bij Verweerder die het Gerecht voldoende dient te overtuigen dat er elementen (“feiten”) voorliggen die een eventuele verlaging van het plafond dan wel het beperken van andere kosten zouden verantwoorden. II.A.5 TIJDIGHEID VAN DE GEVORDERDE VERHOGING EN VERLAGING VAN HET PLAFOND II.A.5.1. RELEVANTE WETTELIJKE BEPALINGEN 26. De volgende bepalingen zijn relevant in de hierna weergegeven beoordeling: R. 104 (f) RoP: The interim conference shall enable the judge-rapporteur to: (j) decide the value of the proceeding for the purpose of applying the scale of ceilings for recoverable costs (Rule 152.3); Art. 2(4) - (5) Ceilings Decision stelt als volgt: (4) A request to raise or lower the Ceilings shall be made as soon as possible and practicable in the proceeding. This may be with the Statement of claim by the plaintiff, or with the Statement of defence by the defendant but shall be lodged in sufficient time to enable the Court to make a decision before closure of the interim procedure. The request shall include all reasonably available evidence. (5) The request to raise or lower the Ceilings shall be dealt with by the Court without delay after having heard the parties and at the latest before closure of the interim procedure II.A.5.2. TOEPASSING 27. De gevorderde verhoging van het plafond wordt laattijdig beschouwd waarbij het Gerecht als volgt motiveert: 9 • Zowel de RoP als de Ceilings Decision bepalen dat een verzoek tot verhoging dient beoordeeld ten laatste voor de sluiting van de interim conference. Er wordt uitdrukkelijk in artikel 2 (4) en (5) Ceilings Decision verwezen naar een verzoek hieromtrent in de “Statement of Claim” en de “Statement of Defence” en alleszins naar een beoordeling in het kader van de “Interim Conference”. Uit de procedurele beschikking ORD_598476/2023 (in toepassing van R. 105.5 RoP) blijkt dat partijen enkel argumenten aanreikten m.b.t. de waarde van de zaak (in toepassing van R. 104.4. en 5. RoP). Deze werd in vermelde beschikking bepaald op € 250.000. • Er worden geen argumentatie aangereikt dat dergelijke procedureregels (omtrent de temporeel voorwaarde voor het instellen van een dergelijk verzoek) niet in lijn zou zijn met de Richtlijn 2004/48/EG van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele- eigendomsrechten (hierna “Handhavingsrichtlijn”). Eisers hadden dan ook conform artikel 14 Handhavingsrichtlijn de mogelijkheid om een verhoging van het plafond te verzoeken. Dit hebben Eisers nagelaten ondanks het gegeven dat kan worden aangenomen dat de elementen die worden aangevoerd in onderhavige procedure (complexiteit van de procedure alsmede de meertaligheid) Eisers voldoende bekend waren alvorens het Gerecht de beslissing (inhoudende het weergegeven plafond) wees. • Volledigheidshalve wordt ten andere aangegeven dat de bepaling van het plafond op zich niet in strijd wordt geacht met artikel 14 Handhavingsrichtlijn aangezien dergelijk plafond in lijn is met de beslissing van het Europees hof van justitie van 28 juli 2026 (EUCJ 28 Juli 2016, United Video Properties Inc. v Telenet NV, C-57/15 (ECLI:EU:C:2016:611, https://e- justice.europa.eu/ecli/ECLI:EU:C:2016:611). 28. Volledigheidshalve wordt aangegeven dat het bovenstaande, in de concrete omstandigheden van het geval, enkel geldt voor eventuele verhogingen van het plafond aangezien de concrete elementen (i.e. representatiekosten in hoofde van Eisers alsmede de kosten onderdeel van de representatiekosten) pas bekend werden aan Verweerder op het moment dat de kostenprocedure werd aangevat. Dit, en in het bijzonder toepast op de representatiekosten, wordt uitdrukkelijk weergeven in de beslissing van 17 januari 2025 waarbij het Gerecht stelde in randnummer 107 dat “(…) geen elementen worden aangereikt die het mogelijk maken voor het Gerecht om te beoordelen of dit plafond werd bereikt” en een beslissing hieromtrent zal worden genomen in kader van de kostenprocedure. Aangezien Verweerder m.a.w. geen kennis had welke kosten effectief zouden worden gevorderd als representatiekosten, kan zij nog steeds verzoeken dat het plafond verlaagd zou worden (indien zij voldoende bewijskrachtige elementen aandraagt die het Gerecht kan meenemen in haar beslissing hieromtrent – zie § 22-25). II.A.6. “SUCCESSFUL PARTY” EN AL DAN NIET DOORWERKING NAAR TUSSENPROCEDURES WAARBIJ DE VORDERINGEN VAN DE “SUCCESSFUL PARTY” WERDEN AFGEWEZEN ALS ONGEGROND. 29. Eisers hebben 2 tussenprocedures ingeleid waarbij echter hun gestelde vorderingen werden afgewezen. Het betreft: • Een verzoek tot taalwijziging dat bij beslissing van 5 maart 2024 door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg UPC werd afgewezen en waartegen geen hoger beroep werd ingesteld. 10 • Een verzoek tot het buitenbeschouwing laten van de equivalentie-argumentatie ontwikkeld door Verweerder. Dit verzoek werd in eerste instantie afgewezen door de Rechter-Verslaggever bij beschikking van 8 juli 2024 en vervolgens bevestigd door het panel-beschikking van 19 juli 2024. Ook het hoger beroep werd finaal afgewezen door het hof van beroep UPC op 21 november 2024. 30. Het gerecht oordeelt dat de kosten die Eisers omtrent bovenstaande procedures hebben gemaakt een eigen proces-risico (en proces-strategie) betreffen in hun hoofde en de kosten hieromtrent worden dan ook niet meegenomen bij de bepaling van de door Eisers terugvorderbare kosten. II.B. VERWEER IN HOOFDORDE 31. In hoofdorde verzoekt Verweerder om “gelet op de billijkheid, het gebrek aan bewijzen en het onredelijk en onevenredige karakter” de vordering op zich tot betaling van de kosten van het geding “integraal af te wijzen”. 32. Niet alleen is dergelijk hoofdverweer volstrekt onbillijk in het licht van artikel 69.2. UPCA doch evenzeer reikt Verweerder geen enkel stuk aan om de opgeworpen gronden zou staven. Zo beschikt het Gerecht over onvoldoende gegevens dat een veroordeling tot (gehele of gedeelte) betaling van de gevorderde kosten van de procedure het economisch voorbestaan van Verweerder in het gevaar zou brengen. In dit licht wijst het Gerecht eveneens naar p. 11 van de Statement of Defence met verwijzing naar de jaarrekeningen van Verweerder (en niet betwist door Verweerder): “(Verweerder) heeft al jaren een succesvolle orthodontiepraktijk met een substantiële winst van EUR 265.995 in 2022 (…) met een eigen vermogen van EUR 612.912.” 33. Het hoofdverweer vanwege Verweerder wordt dan ook verworpen (waarbij hierna de argumentatie m.b.t. het gebrek aan bewijzen concreet zal worden beoordeeld). II.C. DE REPRESENTATIEKOSTEN (STUK EP01) 34. Ter ondersteuning van de representatiekosten (en meer in het bijzonder het effectief bereiken van plafond) leggen Verweerder een eenzijdig overzicht over van de gepresenteerde diensten door hun vertegenwoordigers (“representatives”) in de vorm van een time-sheet. Waar Eisers aangeven dat het in “Nederlandse praktijk” ongekend zou zijn dat een bijkomend bewijs noodzakelijk zou zijn om te bewijzen dat deze kosten daadwerkelijk werden gemaakt (er wordt melding gemaakt van een totale presentatiekost van € 451.236,75), wijst het Gerecht erop dat we ons niet bevinden in de “Nederlandse praktijk” doch in een UPC praktijk waarbij de bewijslast en bewijsrechtelijke standaard wordt weergegeven in de UPCA en de RoP (zie § 22-25). Het komt Eisers dan ook toe om te bewijzen dat deze kosten daadwerkelijk werden gemaakt en meer in het bijzonder dat Eisers deze kosten hebben gedragen. De kostenprocedure heeft immers als voorwerp de betaling van de kosten gedragen door Eisers en niet deze van haar vertegenwoordigers zonder dat bewijs wordt voorgelegd van 11 ereloonnota’s (laat staan bewijs ter betaling ervan) die in overeenstemming zijn met de time- sheets. 35. Anderzijds oordeelt het Gerecht naar billijkheid en in toepassing van de in de preambule van de Ceilings Decision uitdrukkelijke voorziene appreciatievrijheid (“a large margin of appreciation for the Court”) dat, in het licht van de gevoerde procedure (en meer in het bijzonder het uitgebreide schriftelijke verweer alsmede de tijdsbesteding en kosten gemaakt in het kader van de mondelinge procedure), het plafond als billijk dient te worden beschouwd als terugvorderbare representatiekosten en wordt aangenomen dat de representatie-kosten ter hoogte van dit plafond werden voldaan door Eisers. De representatiekosten worden dan ook toegewezen en dit voor het bedrag als weergegeven in het plafond (€ 38.000). Dergelijke beoordeling ligt verder in lijn met de Ceilings Decision waarbij het Gerecht de mogelijkheid wordt verstrekt het plafond als “veiligheidsnet” te hanteren. II.D. OVERIGE KOSTEN II.D.1. KOSTEN EXPERTS (STUKKEN EP02) 36. Zoals aangegeven worden de kosten van deskundige VALQUEZ (stuk EP02a) niet betwist zodat deze kosten kunnen worden toegewezen aan Eisers. Het betreft een bedrag van € 2.200. 37. De kosten m.b.t. het “in-vivo” experiment worden slechts bewezen m.b.t. de kosten die de notaris aanrekende. Deze worden weergegeven in stuk EP02b en bedragen € 374,06. De overige kosten m.b.t. het “in-vivo” experiment worden echter onvoldoende bewezen. Eisers verwijzen naar het tweede blad van de factuur van de notaris zonder dat enigszins duidelijk is dat dit werkelijk een tweede blad betreft van deze factuur. Eerder lijkt dit tweede blad van stuk EP02b een eenzijdig document waarop het Gerecht onvoldoende controle kan uitvoeren. Verder kan worden aangegeven dat deze kosten blijkbaar gedeeltelijk worden gedragen door de reeds aanvaarde kosten van deskundige VALQUEZ aangezien de factuur van VALQUEZ (stuk EP02a) slechts melding maakt van een bedrag van € 1.100 en een bedrag van € 2.200 werd toegekend (zie § 36). 38. De gevorderde betaling van de kosten voor het aanmaken van de “acht anatomische modelschedels” (stuk EP02c) worden afgewezen als ongegrond. Eisers geven aan dat deze modelschedels zouden gebruikt worden in het kader van de pleidooien, doch geven toe dat deze uiteindelijk noch werden gebruikt in het kader van de pleidooien noch voorgelegd aan het Gerecht. Het aanmaken van deze modelschedels en de gemaakte kosten, kunnen niet in oorzakelijk verband worden gebracht met de ongegrondverklaring van de ingestelde vorderingen in de hoofdprocedure. 39. De betaling van de kosten gemaakt in het bewijsbeslag (“Next Generation Security S.L.” - Stuk EP02d) worden onvoldoende naar recht bewezen en de vordering tot betaling ervan wordt afgewezen als ongegrond. In de aangereikte factuur wordt geen melding gemaakt omtrent het voorwerp ervan. Verder werd evenmin enige deskundige-opinie vanwege deze dienstverlener 12 voorgelegd aan het Gerecht. De gemaakte kosten in het licht van de diensten uitgevoerd door Next Generation Security S.L., kunnen dan ook niet in oorzakelijk verband worden gebracht met de ongegrondverklaring van de ingestelde vorderingen in de hoofdprocedure. II.D.2. VERTAAL- EN TOLKKOSTEN (STUK EP03) 40. De vordering tot betaling van de vertaalkosten worden afgewezen als ongegrond. Het Gerecht motiveert als volgt: • Deze kosten dienen begrepen te worden als representatiekosten en betreffen blijkbaar (minstens in hoofdzake) vertalingen die door Eisers dienden gemaakt te worden in het licht van hun verweer en in het bijzonder de communicatie tussen cliënten (Eisers) en hun raadslieden (“representatives”) (of vertalingen naar Eisers toe omtrent beslissing genomen in de procedure-taal). Opmerkelijk is trouwens dat EP03 eveneens vertalingskosten weergeeft omtrent de procedure in hoger beroep die allerminst deel kunnen uitmaken van deze kostenbeslissing omtrent de kosten in eerste aanleg (zie § 12). Onvoldoende wordt in die zin aangetoond welke specifieke vertalingen (en kosten) noodzakelijk waren in het licht van de procedure op zich in eerste aanleg. Als dusdanig worden deze beschouwd als onderdeel van de representatiekosten. Het betreffen dan ook geen kosten als weergegeven onder R. 155 RoP die betrekking hebben op noodzakelijke vertaling in het licht van de procedure-taal. • Verder wordt het aangegeven dat het bewijs dat Eisers aandragen (Stuk EP03) enkel éénzijdige tijdsbepalingen bevat uitgaande van de raadslieden van Eisers. Er liggen geen stukken voor die een bewijs inhouden dat Eisers daadwerkelijk deze kosten hebben gemaakt of gedragen. 41. De vordering tot betaling van de kosten die werden betaald voor de “tolken” wordt gegrond beschouwd en dit voor een bedrag van € 1.500 naar billijkheid (“equity”) bepaald. Het Gerecht motiveert als volgt: • Deze kosten ressorteren onder de kosten weergegeven in R. 155 RoP. • Ondanks het gegeven dat Eisers wederom in gebreke blijven om enige factuur voor te leggen omtrent de concrete betaalde kosten en het absoluut niet aan Verweerder toekomt om maar te berekenen hoeveel dergelijk tolkdiensten kosten, heeft het Gerecht samen met Verweerder kunnen vaststellen dat er wel degelijk simultaanvertaling aanwezig was op de pleitzitting en dat het Gerecht niet heeft ingestaan tot betaling van dergelijke kosten. • Bij gebreke aan enig concreet bewijs omtrent het aangerekende uurtarief door de tolken en een concrete controle door het Gerecht of deze (aangerekende) diensten conform zijn met de gebruikelijke tarieven in België (waar de LD Brussel zich bevindt) onmogelijk wordt gemaakt, oordeelt het Gerecht echter dat een vergoeding (ex aequo et bono bepaald) dient toegekend te worden ten bedrage van € 1.500. II.D.3. REIS- EN VERBLIJFKOSTEN (STUK EP04) 42. De vordering strekkende tot terugbetaling van de reis-en verblijfkosten door de ”representatives” van Eisers worden afgewezen als ongegrond. Het begrip “representatiekosten” (R. 152.1. RoP) dient immers ruim ingevuld te worden en begrepen te worden als alle kosten van vertegenwoordiging (representatie) m.i.v. de reis- en verblijfkosten 13 (deze voorafgaandelijk de mondelinge behandeling alsmede in het kader van de mondelinge behandeling voor de LD Brussel). De gevorderde kosten van de ”representatives” maken onderdeel uit van het door het Gerecht reeds beoordeelde plafond. 43. De vordering strekkende tot terugbetaling van de reis-en verblijfkosten van Eisers zélf worden niet betwist zodat de vordering tot betaling ervan wordt gegrond verklaard ten bedrage van het gevorderd bedrag (€ 1.782,58). II.E. VERHOGING MET INTRESTEN 44. Zowel de representatiekosten als de teruggevorderde kosten betreffen een kostenvergoeding in hoofde van de “successful party” bepaald op het moment van het uitvaardigen van onderhavige kostenbeslissing. 45. Wat betreft de door Eisers gevorderde verhoging met intresten waartoe het Gerecht Verweerder veroordeelt, stelt het Gerecht vast dat noch de UPCA noch de RoP voorzien in een wettelijke basis voor dergelijke verhoging (zie in dezelfde zin LD Munich 10 januari 2025, UPC_CFI_249/2023 – ACT_50921/2023). II.F. BESLUIT 46. Het Gerecht besluit in het licht van het voorafgaandelijke dat de vorderingen van Eisers in volgende mate dienen gegrond te worden verklaard: Aard van de Kosten Bedrag Representatiekosten (plafond)(R. 152 RoP) € 38.000 Experiment en expertise (“in vivo”) (R. 153 RoP) € 374,06 Vertaal- en tolkkosten (R. 155 RoP)(herleid ex aequo et bono) € 1.500 Reis-en Verblijfkosten € 1.782,58 TOTAAL € 41.656,64 III. BESLISSING Het Gerecht veroordeelt de heer tot betaling van de kosten van het geding in eerste aanleg begroot op € 41.656,64. Beslissing gewezen op 25 juli 2025 door de Rechter-Verslaggever. Samuel GRANATA Voorzitter Rechter-Verslaggever Juridisch Gekwalificeerde Rechter Griffier LD BrusselDÉBORAH PATRICIA A PLETINCKX Signature numérique de DÉBORAH PATRICIA A PLETINCKX Date : 2025.07.25 14:10:32 +02'00'Samuel Rocco M Granata Digitally signed by Samuel Rocco M Granata Date: 2025.07.25 14:17:49 +02'00' 14 Hoger beroep (R. 221 RoP juncto R. 157 RoP) Een partij die door een van de in R. 157 RoP genoemde beslissingen wordt benadeeld, kan binnen 15 dagen na betekening van de desbetreffende beslissing een verzoek tot toelating tot hoger beroep indienen bij het hof van beroep (R. 221.1 RoP). Tenuitvoerlegging (Art. 82 UPCA, R. 118.8 RoP, R. 354 RoP) Een gewaarmerkte kopie van de uitvoerbare beslissing of het uitvoerbare bevel dient, op verzoek van de uitvoerende partij, te worden afgeleverd door de Griffie. Details van de beschikking Beslissing-nummer ORD_33711/2025 ORD_8991/2024 Zaak-nummer ACT_7974/2025 UPC Nummer UPC_CFI_131/2025 Type-Actie Verzoek tot betaling van de kosten (R.150) Hoofdzaak (UPC-Nummer) UPC_CFI_376/2023 Hoofdzaak (zaak-nummer) ACT_581538/2023 Hoofdzaak (Type Actie) Inbreukvordering
Key Holdings
- Cost ceiling increase denied due to late request.
- Travel costs included in representation ceiling.
- Interest on costs denied (no legal basis).
- Recoverable costs set at €41,656.64.
Tags
- Costs
- Security for Costs
Related Cases
- UPC_CFI_407/2025; UPC_CFI_408/2025 – Organon v Genentech
- UPC_CFI_556/2024; UPC_CFI_216/2024 – Cretes v Hyler
- UPC CFI 415/2025 – CooperSurgical, Inc. v European Distribution Center Motiva BVBA, Establishment Labs S.A., PulseLavage AB
- UPC CFI 407/2025 & 408/2025 – GENENTECH INC., F. HOFFMANN – LA ROCHE AG v. NV ORGANON, ORGANON HEIST B.V.
- UPC CFI 582/2024 – BARCO NV v YEALINK (XIAMEN) NETWORK TECHNOLOGY Co. Ltd. and YEALINK (EUROPE) NETWORK TECHNOLOGY BV